Ga naar hoofdinhoud

CI/CD & Omgevingen

Azure DevOps bepaalde hoe wijzigingen in de library door de omgevingsketen bewogen.

Release-flow​

Feature branch
│
▼
Pull request / merge
│
▼
main branch
│
▼
Azure DevOps-pipeline
│
▼
┌─────────────────┐
│ TEST │ automatische deployment
└────────┬────────┘
│
▼
Approval gate
│
▼
┌─────────────────┐
│ ACCEPTANCE │
└────────┬────────┘
│
▼
Approval gate
│
▼
┌─────────────────┐
│ PRODUCTION │
└─────────────────┘

Gedrag per omgeving​

OmgevingDeploymentgedrag
TestAutomatisch bijgewerkt nadat wijzigingen de deploymentbranch bereikten
AcceptancePromotie vereiste approval
ProductionPromotie vereiste een tweede approval

Waarom dit beter was dan handmatig uploaden​

Zonder automatisering kan file delivery snel een operationele taak worden:

developer
↓
bestand kopiëren
↓
handmatig uploaden
↓
hopen dat de juiste omgeving is aangepast

De pipeline maakt daarvan:

repository
↓
herhaalbare deployment
↓
gecontroleerde promotie

Verantwoordelijkheid bij releases​

De workflow scheidt twee zaken:

  • developers maken en valideren wijzigingen
  • gecontroleerde approvals bepalen promotie naar hogere omgevingen

Zo blijft Test snel, terwijl Acceptance en Production gecontroleerd blijven.

Opgeschoonde versie van de oorspronkelijke architectuur​

Het oorspronkelijke projectdiagram bevatte echte interne omgevingsnamen en URL's. De publieke versie laat alleen de relevante architectuur zien:

branch → main → Azure DevOps
│
├── Test Blob → Planon Test
│
├── approval → Acc Blob → Planon Acceptance
│
└── approval → Prod Blob → Planon Production